Linda: ‘Mijn vroegere pestkop bleek mijn nieuwe collega’

Linda (29) woont samen met Menno en werkt op de marketingafdeling van een kledingmerk. Ze werd een half jaar terug op haar werk ineens geconfronteerd met de plaaggeest uit haar jeugd. “Er waren op school momenten waarop ik wenste dat ik onzichtbaar kon zijn.”


Ontwerp Zonder Titel 2026 04 08t132813.123

Naam

Linda: “Ik weet nog precies hoe mijn maag voelde toen ik een paar maanden terug haar naam op het scherm zag verschijnen. Het was een simpel mailtje van werk: vanaf maandag zou Famke het marketingteam komen versterken. Voor de meeste collega’s is zo’n aankondiging niets bijzonders. Voor mij voelde het als een klap in het gezicht. Ik bleef naar dat scherm kijken: Famke. Er zijn vast honderden vrouwen met die naam, maar diep vanbinnen wist ik meteen dat zij het was. Dezelfde plaaggeest die mijn middelbareschooltijd zo zwaar had gemaakt. Niet eens zo lang daarvoor had ik haar naam al eens gezien op LinkedIn. Ze zocht werk stond er, in de marketing. Precies mijn branche. Toen had ik het nog weggedrukt.

Toeval?

Toeval, dacht ik. Dat zal wel loslopen. Tot dit moment. Het gevoel dat door me heen ging, is moeilijk uit te leggen. Het was geen gewone spanning. Het was oud, diep en meteen herkenbaar. Ik was in één klap weer dat meisje van vroeger. Dat meisje dat nét te hard grinnikte om een grap, in de hoop erbij te horen. Dat meisje dat drie keer checkte of haar kleding wel ‘oké’ was voordat ze de deur uitging. Ik moest mezelf even dwingen om te blijven ademen. Mijn schouders trokken omhoog, mijn kaken spanden zich aan. Mijn eerste gedachte was: dit kan niet waar zijn. De tweede: wat moet ik doen?”

Vals lachje

“Ik zat op de mavo toen het begon. Eerste klas nog. Nieuwe school, nieuwe mensen. Ik had mezelf voorgenomen: dit keer ga ik het anders doen. Op de basisschool hoorde ik er ook nooit echt bij, maar daar dacht ik nog: ach, dat komt wel. De mavo zou anders zijn. De eerste weken gingen eigenlijk best goed. Ik zat naast een aardig meisje. We praatten over muziek, over series en ik voelde me opgelucht. Dit jaar zou leuk worden. Tot Famke zich ermee ging bemoeien. Een lange, een jaar oudere meid, die was blijven zitten in de eerste. Ze gedroeg zich erg arrogant. Ik weet nog precies wanneer het kantelde. We zaten in de klas en de leraar stelde een vraag. Ik wist het antwoord en stak mijn hand op. Ik gaf normaal antwoord. En toen hoorde ik haar lachen. Niet hard. Gewoon zo’n klein, vals lachje. Maar wel precies op het moment dat ik praatte. ‘Wat praat jij raar’, zei ze daarna, hard genoeg dat anderen het konden horen. Een paar jongens begonnen te proesten. Mijn wangen werden heet. Ik wist niet wat ik moest doen, dus ik lachte ongemakkelijk mee. Alsof ik het zelf ook grappig vond. Vanaf dat moment veranderde er iets. Het begon klein. Opmerkingen over mijn kleren. Dat mijn broek ‘ouderwets’ was. Dat mijn schoenen ‘echt niet konden’ en mijn haar ‘net touw’ was. Ik had helemaal geen rare kleren, maar door haar begon ik dat te geloven.”

Kleine pesterijen

“Het pesten zat in kleine dingen die zich opstapelden. In de kantine bijvoorbeeld. Ik zat daar met mijn boterhammen met chocopasta voor me. Famke kwam met haar groepje langs en ging vlakbij zitten. ‘Eet jij dat nog?’ zei ze, terwijl ze naar mijn brood wees. ‘Dat is echt iets voor kleine kinderen.’ Ze begon een kinderachtig liedje te zingen en iedereen moest lachen. De dag daarna durfde ik mijn brood niet meer in de kantine op te eten. Ik ging naar de wc en at het daar, zittend op de gesloten wc-bril. Ik luisterde naar voetstappen buiten het hokje en hoopte dat niemand wist dat ik daar zat. Dat lunchen op het toilet werd een gewoonte. Maar ook in de klas gebeurde van alles. Mijn etui werd zogenaamd per ongeluk van tafel gestoten, er lag vaak nat toiletpapier op mijn stoel. Mijn naam werd verbasterd tot bijnamen die iedereen overnam. Één naam bleef het meest hangen, omdat die zo persoonlijk was en zo gemeen tegelijk. Mijn moeder is van Aziatische afkomst, en juist dat werd gebruikt om me belachelijk te maken. Het waren van die momenten waarop ik wenste dat ik onzichtbaar kon zijn. Misschien nog wel het moeilijkst: anderen deden mee. Niet iedereen, maar genoeg om het gevoel te geven dat ik alleen stond.”

Toekijkers

“Er waren ook klasgenoten die niks zeiden, maar toekeken en meelachten. Dat voelde soms net zo erg. Ik denk bijvoorbeeld vaak terug aan gym. Dat moment dat teams gekozen worden. Twee aanvoerders en dan één voor één iemand kiezen. Ik stond daar, mijn hart bonkte in mijn keel, en ik wist eigenlijk al hoe het zou gaan. Ik werd als laatste gekozen. Famke zat bij de andere aanvoerder en maakte daar nog een opmerking over, iets in de trant van dat haar team gelukkig niet met mij hoefde te spelen. Er werd gelachen, zoals altijd. ’s Avonds in mijn bed lag ik vaak te huilen, zachtjes, zodat mijn ouders het niet zouden horen. Ik heb het thuis ook nooit echt verteld. Ik zei wel dat school niet leuk was, maar nooit hoe erg het was. Ik schaamde me. Alsof het mijn eigen schuld was. Alsof er iets mis was met mij.

Veranderen

Ik begon mezelf te veranderen. Ik praatte minder. Ik stak mijn hand niet meer op in de klas. Ik probeerde andere kleren te dragen, maar wat ik ook deed, het was nooit goed genoeg. Ik weet nog dat ik ooit voor de spiegel stond en dacht: als ik maar dunner, grappiger, zelfverzekerder, mooier was, dan zou het stoppen. Maar het stopte niet. Famke hoefde vaak niet eens iets te zeggen. Één blik was genoeg. Als zij haar wenkbrauw optrok, wist ik al dat ik iets ‘fout’ had gedaan. En toch zag ik ook een andere kant. Met anderen was ze aardig, gezellig. Dat maakte het nog verwarrender. Waarom zij wel en ik niet? Wat had ik gedaan? Op die vraag heb ik nooit een antwoord gekregen.”

Dagen van spanning

“Na vier jaar was het voorbij. Diploma gehaald, weg daar. Ik weet nog dat ik de laatste dag naar buiten liep en dacht: ik kom hier nooit meer terug. Ik ga opnieuw beginnen. Nieuwe mensen, nieuwe versie van mij. En dat voelde als vrijheid. Langzaam ging het beter. Niet meteen. Het heeft echt tijd gekost. Ik maakte vrienden. Ging naar de havo en daarna naar het hbo. Vond een baan waar ik me op mijn plek voelde. Ik werd iemand die durfde te praten in vergaderingen, die grapjes maakte, die niet meer constant bang was voor wat anderen dachten. Ik kreeg een leuke vriend, vond mijn plek op mijn werk, met collega’s die normaal deden. En ik leerde meer mezelf te zijn. Nog steeds onzeker soms, ja. Maar niet noemenswaardig. Tot die mail. De dagen voordat ze zou beginnen, voelde ik me echt slecht. Ik sliep slecht, had buikpijn, was prikkelbaar. Ik bleef maar denken: wat als het weer zo wordt? Wat zeg je tegen iemand die jouw leven op zo’n manier heeft beïnvloed, zonder dat zij dat misschien ooit echt heeft beseft? ‘Leuk je weer te zien’, voelde als een leugen. ‘Ik heb nachten wakker gelegen door jou?’ Die eer gunde ik haar niet. Maar wat als ze me niet eens zou herkennen? Dat idee maakte me ook boos. Dat het voor haar misschien zo klein was, terwijl het voor mij zo groot was.”

De eerste ontmoeting

“Maandag kwam. Ik stond ’s ochtends belachelijk lang voor mijn kast. Ik trok drie keer iets anders aan. Uiteindelijk koos ik iets simpels. En toen zag ik haar. Bij de koffieautomaat. Ze keek vrolijk, had een mok in haar hand, praatte met twee collega’s. Ze zag er anders uit. Haar haar iets korter, volwassener. Het eerste wat me opviel was hoe normaal ze leek. Een vrouw van begin dertig, in een nette blouse. Niet de grote, angstaanjagende figuur uit mijn herinnering. Maar mijn lichaam geloofde daar niets van. Ik verstijfde. Ik wilde weg, mezelf omdraaien en naar huis rennen. Maar dat kon niet. Dus ik liep door. Ze keek op. Onze ogen kruisten elkaar. En ik zag het meteen: herkenning. ‘Hé’ zei ze. ‘Jij bent toch Linda?’ Mijn naam klonk zo raar uit haar mond. ‘Ja’, zei ik. ‘En jij Famke.’ ‘Wat een toeval,’ zei ze, ‘dat we hier allebei werken.’

In de war

Ik stelde haar voor aan anderen. Alsof we oude klasgenoten waren die elkaar toevallig weer zagen. Ik speelde het spel mee. Dat vond ik later zo gek aan mezelf. Hoe snel ik weer in die oude rol schoot. De eerste weken waren zwaar. Echt zwaar. Elke keer als ik haar zag, voelde ik spanning. Ik ging weer letten op alles wat ik deed. Hoe ik praatte, hoe ik liep, hoe ik keek. Alsof ik weer op school zat. Famke leek nergens last van te hebben. Ze was aardig, maakte grapjes, deed haar werk goed. Collega’s vonden haar leuk. Dat maakte me in de war. Ik dacht soms: heb ik het groter gemaakt in mijn hoofd? Maar nee. Mijn lichaam wist beter.

‘Het spijt me’

Op een dag gebeurde er iets kleins. Ik liet per ongeluk een map vallen in de gang. Alles lag op de grond. Papieren overal. Vroeger zou dat een ramp zijn geweest. Dan was ik uitgelachen, belachelijk gemaakt. Nu gebeurde er iets anders. Famke kwam naast me staan en hielp zonder aarzelen met oprapen. Een lief gebaar, niet passend bij het beeld dat ik van haar had. Niet lang daarna moesten we samen aan een project werken. Na een meeting bleven we zitten. Er viel een stilte. Ineens gaf ze toe dat ze vroeger niet aardig tegen mij was geweest. Ze bood haar excuses aan. Zonder echte reden, maar wel duidelijk. ‘Het spijt me’, zei ze. ‘Je bent een leuke meid en je ziet er goed uit. Ik had je nooit zo mogen pesten.’ Haar reactie verbaasde me en ik wist niet hoe ik daar op moest reageren. Er kwamen allerlei gevoelens tegelijk omhoog. Boosheid, verdriet, maar ook opluchting. Ik zei dat het goed was. Meer niet. Maar ik was er wel blij mee. Later hebben we er nog een keer over gepraat. Buiten, in de pauze. Ze zei dat ze zich ervoor schaamde. Dat ze er soms nog aan dacht. Dat ze toen zelf onzeker was over haar uiterlijk en dat ze daarom zo naar deed. Door mij belachelijk te maken, kon ze de aandacht van zichzelf afhalen. Ik vertelde haar wat het met me had gedaan. Over de wc, over gym, over hoe eenzaam ik me had gevoeld. Famke luisterde en werd stil. Ze zei dat ze zich dat niet zo had gerealiseerd. Dat vond ik moeilijk om te horen. Voor mij was het alles geweest. Voor haar blijkbaar niet op die manier.”

Geen vriendinnen

“Inmiddels zijn we een paar maanden verder. We werken samen. Dat gaat goed. Gewoon normaal, zonder problemen. Af en toe maken we zelfs een grapje. Niet vaak, maar het gebeurt. We gaan nooit vriendinnen worden, maar dat hoeft ook niet. Ik ben al blij dat er een collegiale band is. Soms is het nog moeilijk. Soms voel ik me weer dat meisje. Vooral op slechte dagen, als ik met pijn in mijn buik terugdenk aan mijn schooljaren. Maar er is ook iets veranderd. Ik ben assertiever, als iets me niet bevalt, zeg ik het. Dat deed ik vroeger nooit. Ik kom meer voor mezelf op. Misschien is dat wel het belangrijkste, dat ik besef dat ik niet meer dat meisje van toen ben. Ik ben nu iemand die sterker is. Die dingen heeft meegemaakt en daar doorheen is gekomen. En ja, het doet soms nog pijn. Maar de hernieuwde ontmoeting met Famke heeft er wel voor gezorgd dat ik anders terugkijk op mijn jeugd. Het lag niet aan mij, het was niet mijn fout. Ik was blijkbaar gewoon op de verkeerde plaats en tijd, zo begrijp ik nu. Famke had mij willekeurig uitgekozen om haar eigen onzekerheid te camoufleren.”

Om privacyredenen zijn alle namen veranderd, De echte namen zijn bekend bij de redactie.​​​​​​
Foto: Getty Images

LEES OOK

Lees meer Persoonlijke verhalen
Persoonlijke verhalen
012026 Vriendinclub 820x270

Uit andere media


Meer van Joan