Persoonlijke verhalen

Rosan overleefde leukemie dankzij een stamceldonor

Leven met een dodelijke ziekte is een ding, lijdzaam afwachten of zich een donor meldt om de situatie te verbeteren iets heel anders. Dus deed leukemiepatient Rosan (35) een emotionele oproep op internet: “Ik had nog drie maanden te leven. Ik moest iets doen om langer bij mijn gezin te kunnen blijven.”

Rosan (35) heeft donkerblond, krullend haar. Twee jaar geleden, toen Vriendin haar leerde kennen, was haar haar nog lichtblond en steil. En nee, dat komt niet door de kapper.

Naar Disneyland Paris

Twee jaar geleden was Rosan een van de winnaressen van het Vriendin-weekend naar Disneyland Paris. Ze ging met haar vriend Mustapha (37) en zijn zoons, een tweeling van nu 9. Rosan gunde het de tweeling zó, schreef ze. De kinderen ­hadden het moeilijk omdat ze hun vader zo weinig zagen nadat hun ouders uit ­elkaar waren gegaan. ‘En,’ zo schreef ze ­erbij, ‘ik ben door leukemie een tijd uit hun leven geweest.’

Het weekendje in Parijs had een mooie ­afsluiting moeten worden van een nare ­periode die in het teken stond van Rosans ziekte: drie jaar van continu ziek zijn en ­chemokuren ondergaan. Rosan: “Mustapha en ik ­kenden elkaar net drie maanden toen ik leukemie kreeg. Dat werd ontdekt toen ik naar de dokter ging omdat ik zo ontzettend moe was en grote blauwe plekken had. Ik moest meteen naar het ziekenhuis en kreeg al snel mijn eerste chemokuur. Vlak daarvoor had Mustapha mij aan zijn kinderen voor­gesteld en opeens verdween ik weer.”

Zo lief

“De kinderen hadden me één keer in het ziekenhuis bezocht toen ik mijn haar nog had. Daarna heb ik ze lang niet gezien, daar was ik door die behandelingen te ziek voor. Toen ze me een jaar later weer zagen, waren ze heel lief voor me. Ik had geen haar meer, en ik weet nog dat ik een keer wakker werd omdat ze over mijn hoofd ­aaiden. ‘Het is al weer een beetje gegroeid’, zeiden ze. Zo lief.”

Rosan, Mustapha en de tweeling genoten volop van het weekendje in Disneyland ­Paris. Twee maanden later zou Rosan aan haar laatste chemokuur beginnen. Daarna zou ze hopelijk van haar ziekte af zijn. Maar het liep anders.

Lees ook: Petra: ‘Mijn moeder overleefde dankzij stamceldonatie

Ongerust

“Na mijn laatste chemokuur was ik blij en ­opgelucht. We vierden dat het nu hopelijk voorbij was en dat ik nu weer aan de toekomst kon denken. Ik bleef wel onder controle van mijn artsen in het ziekenhuis. Maar mijn bloed was steeds goed.”

Tot februari 2017, een paar maanden na het weekendje in Parijs. “Op een dag probeerde ik uit bed te komen, maar kon ik m’n bovenbenen niet goed meer optillen. Ik woon op tweehoog en had moeite de trap op en af te lopen. Ik belde mijn arts. Zij vermoedde dat het niets te ­maken had met mijn ­leukemie-verleden, maar zei dat ik wel even langs de Spoedeisende Hulp moest gaan. Daar werd me verteld het een weekje aan te zien.” Maar Rosans klachten ­verdwenen niet. “Ineens had ik heel duidelijk het gevoel: dit klopt niet. Gelukkig kon
ik meteen komen toen ik ­opnieuw de Spoedeisende Hulp belde. De volgende ochtend zou ik meteen een MRI-scan krijgen.”

Haar ongeruste gevoel bleek terecht te zijn. “Ik weet nog dat ik de uitslag afwachtte met mijn zus, mijn zwager en hun zoontje in het speel­paleis van het ziekenhuis. Door te kijken hoe kinderen al gillend de glijbaan af ­gleden, probeerde ik mijn spanning kwijt te raken.”

Foute boel

“Toen ik werd opgehaald, stonden vier artsen me op te wachten. Op dat moment wist ik dat het foute boel was. Een van de artsen viel met de deur in huis. ‘Mevrouw, uw hersenvocht zit vol kanker’, zei hij. Ik zou het alleen overleven als ik een geschikte stamceldonor kon vinden voor stamceltransplantatie. Maar die kans was niet groot: ongeveer één op vijftig­duizend. Als er niet binnen drie maanden een geschikte donor voor mij gevonden ­werd, zou ik sterven.”

Je leest dit verhaal deze week ook in Vriendin. 

Lees ook: Petra: ‘Mijn moeder overleefde dankzij stamceldonatie

Reageer op dit artikel

Instagram