Deze vrouwen schreven een brief die nooit op de post ging: ‘Ik ben nu drie jaar verliefd, maar je bent getrouwd’
Aan je biologische moeder, de zus met wie je ruzie hebt of die ene stille liefde – deze vrouwen legden hun ziel en zaligheid in een brief… die nooit op de bus ging.
‘De werkelijkheid is dat jouw vrouw mijn vriendin is’
Lieve G.,
Dit is niet mijn eerste brief aan jou, in mijn hoofd heb ik er al veel meer geschreven. Dat weet je niet en dat zul je ook nooit weten, want ik ga deze brief niet versturen. Je weet niet hoe ik over je denk of hoe je me raakt als je naar me kijkt of als we een gesprekje voeren, al gaat het over het weer. Over hoe ik zo’n gesprek in mijn hoofd achteraf honderd keer herhaal. Over hoe ik in jouw blik zoek naar een teken van iets waarvan ik weet dat het er niet is. En dat ‘iets’ is een antwoord op mijn eigen gevoel.
Drie jaar verliefd
Ik ben nu drie jaar verliefd op je, ik zie voor me hoe we samen zijn en ik leef op van de momenten dat ik in je buurt ben. Maar de werkelijkheid is natuurlijk dat je getrouwd bent. En dat jouw vrouw mijn vriendin is. En dat ik haar en jou een gelukkig leven samen gun. Maar dat ik mezelf óók iets gun en dat is de liefde. Jouw liefde.
Aan de zijlijn
Het zit in jouw blik, jouw stem, hoe goed ik me over mezelf voel als ik in jouw buurt ben, hoe grappig je bent en hoe grappig je mij vindt. Ik wil mezelf daarin onderdompelen en verliezen, maar ik sta aan de zijlijn en kijk toe naar jouw gelukkige huwelijk. Ik gun je het beste en ik hoop dat er een andere jij komt die me net zo van mijn voeten blaast als jij dat doet, al kan ik me dat niet voorstellen.
Ik hou van je,
B.
‘Hield je zó veel van mij dat je mij kon weggeven?’
Beste Arjuna,
Ik ken je niet en tegelijkertijd ken ik je heel goed. Ik denk dat als ik in de spiegel kijk, ik ook een stukje van jou zie. Maar ik ken van jou alleen je naam en dat is voor mij genoeg. Ik weet dat je nog leeft en dat je in Jakarta woont. Je moet nu ongeveer vijftig zijn, je kreeg mij toen je nog maar net zestien was.
Weggeven uit liefde
Je kon niet voor me zorgen en ik stel me voor dat je mij weggaf uit liefde, omdat je mij een beter leven gunde. Ik weet niet of het leven dat ik heb gekregen beter was dan ik bij jou zou hebben gehad, maar ik heb een goed leven. Mijn ouders – zo noem ik ze – hebben altijd voor mij gezorgd en van mij gehouden. Ik heb me gewenst en geliefd gevoeld, ik weet niet of jij me dat gevoel ook had kunnen geven.
Geen ontmoeting
Ik zal niet naar je toekomen, ik wil je niet ontmoeten. Ik heb me namelijk door jouw keuze ook ontheemd en afgewezen gevoeld. Weten dat je eigen moeder je niet wilde, is heel erg moeilijk. Zeker nu ik zelf een dochtertje heb, moet ik soms hard mijn best doen om je keuze te begrijpen. Hield je zó veel van mij dat je mij kon weggeven, of juist zo weinig? Ik kies ervoor om het eerste te geloven. De wereld is al zo hard, liefde is altijd de beste optie. Misschien vind jij dat ook wel, en lijken we daarin toch nog op elkaar.
Het ga je goed,
Je dochter
‘Ik had sorry tegen je willen zeggen, maar ik was te laat’
Lieve Monica,
In gedachten heb ik deze brief al vaak geschreven, maar ik heb mijn woorden nog nooit op papier gezet. Waarom zou ik ook? Je bent er niet meer om hem te lezen. En daar moet ik mee leren leven. Ik had sorry tegen je willen zeggen, maar ik was te laat. Misschien had jij ook wel sorry tegen mij willen zeggen. Dat hoop ik, dat we in gedachten elkaar al hadden vergeven en dat we de vriendschap wilden herstellen. Maar door een beslissing van het lot is het er niet van gekomen.
Vertrouwen
Stom eigenlijk dat we om zoiets elkaar al ruim vier jaar niet spraken. Ik heb spijt dat ik dat wat jij in vertrouwen aan mij vertelde, niet bij mezelf heb gehouden. Ik had niet over je mogen praten tegen mijn zus, waardoor eerst zij en daarna iedereen om ons heen wist dat je je man wilde verlaten voor een ander. Ook al was je huwelijk niet meer te redden en voerde je vrij snel daarna je plan uit, waardoor alsnog iedereen het wist. Daar ging het niet om. Het ging om vertrouwen en dat was kapot, zo zei je het ook.
‘Ooit’ kwam niet
Ik had moeten zien dat ik je had gekwetst en ik had sorry moeten zeggen. In plaats daarvan ging ik vol in de aanval. Want jij had ook eens iets over mij doorverteld, dus je had geen recht van spreken. Dat vond ik niet eens echt. Ik wist nog dat het me pijn had gedaan toen jij het deed, dus des te stommer om het terug te doen. Maar je weet hoe ik ben: als ik me in het nauw gedreven voel, val ik aan. En dus trok jij de deur dicht, zei ik geen sorry en zo verstreken er vier jaren. Jaren waarin ik dacht: het komt nog wel goed, ooit. Maar dat ooit kwam niet.
Voor altijd weg
Wat er wel kwam, was die ene dag waarop ik het op Facebook las. Je zus had het geplaatst: onze lieve Monica is er niet meer. Een herseninfarct, nog maar 53 jaar. Waarvan ik er bijna vijftien in je leven was geweest, soms wat meer, soms wat minder, maar altijd verbonden. Dat die verbinding nu echt voor altijd weg is, doet me veel pijn.
Veranderd
Ik ben veranderd. Ik zeg nu sorry als ik spijt heb, laat geen tijd verloren gaan. Maar ja, wat heb jij daaraan gehad? Wat hebben wij daaraan? Niets, natuurlijk. Dat ik jou ben kwijtgeraakt, is een pijn waarmee ik voor altijd moet leven. Was het maar anders gelopen, dan hadden we nog vier mooie jaren kunnen hebben.
Ik hou van je, waar je ook bent,
Inge
‘Voor mij besta je niet meer. Ik weet dat dát voor jou het ergste is’
Aan John,
Deze brief gaat jou nooit bereiken. Ik schrijf hem omdat ik iets wil afsluiten wat ik al jaren niet kán afsluiten. Na bijna zes jaar therapie zal het me misschien eindelijk gaan lukken. Deze brief is onderdeel van de punt die ik wil zetten. Volgens mijn therapeut gaat het helpen. Voor mij is het belangrijk dat ik je kan zeggen wat ik al zo lang wil zeggen.
Veel afgepakt
Jij hebt me zo veel afgepakt, John. Dat had je nooit mogen doen. Je raakte bevriend met mijn ouders toen ik vier was en al snel richtte je je pijlen op mij. Je wist dat mijn vader door zijn problemen geen echte vaderfiguur kon zijn en je wist ook dat dat voor mij een gemis was, al besefte ik dat zelf niet. En daar was jij. De man die met me voetbalde, die me op zijn rug door de kamer droeg, die me meenam op uitjes, die een rol in mijn leven opeiste die misschien aardig leek, maar die nooit aardig bedoeld was.
Te veel bij ons
Je was veel te veel bij ons, John. Mijn ouders waren helemaal niet tegen je bestand. Je drong gewoon naar binnen. Waarom? Ik weet het niet. Zelf had je niks of niemand, ik denk dat dat ermee te maken heeft. Maar eigenlijk wil ik het niet eens weten, ik wil helemaal geen begrip voor jou hebben.
Je zei dat het erbij hoorde. Dat we vrienden waren en dat vrienden elkaar knuffels geven. Dat vrienden best bij elkaar in bed kunnen slapen omdat je geen logeerbed had. Dat ik geen pyjama aan hoefde. Bij alles wat je met me deed van mijn vijfde tot mijn vijftiende, liet je me geloven dat het ‘erbij hoorde’.
Geheim houden
Als ik het niet fijn vond, dan kwam dat doordat ik het nog niet gewend was en dat jij het me leerde, omdat je zo’n goede vriend was. Dat je me voorbereidde op het echte leven en dat ik daar ook wel wat dankbaarder voor kon zijn. En dat het beter was om dat geheim te houden, want als mijn ouders zouden weten hoe goed je voor mij was, zouden zij zich schuldig voelen dat ze zelf niet in staat waren mij dat allemaal te leren en te geven.
Monster
Je bent een monster, John. Je wist dat ik een bang en kwetsbaar kind was en je hebt emotioneel en fysiek ernstig misbruik van mij gemaakt. Dat je daarvoor straf hebt gekregen, is voor mij belangrijk, maar maakt het zeker niet goed. Je hebt me een normale jeugd en een normale ontwikkeling afgepakt. Je hebt me mijn vertrouwen in mannen afgepakt, en eigenlijk in mensen in het algemeen. Ik heb heel hard moeten werken om een stukje daarvan terug te krijgen. Het is een strijd met mezelf die ik elke dag uitvecht en die ik op een dag hoop te winnen.
Trots op mezelf
Als ik in de spiegel kijk, ben ik soms ineens trots op mezelf. Trots op wat ik heb overwonnen, trots dat ik het uiteindelijk heb durven vertellen, trots op dat ik je heb gestopt. Ik voel nog veel meer, maar dat vertel ik je niet. Ik wil dat je weet dat ik je achter me laat, omdat ik weet dat dát voor jou het ergste is. Er niet meer toe doen, vergeten worden. Ik ga niet zeggen dat ik je haat, omdat ik je zelfs dat niet gun. De macht die je dan hebt over mijn gevoel, is de macht die je over mij wil hebben.
Ik ga door met leven en ik ga gelukkig worden, dat is het enige wat telt.
Voor mij besta je niet meer.
H.
‘Ík moest slagen omdat het jou niet lukte, pap’
Lieve papa,
Het voelt raar om ‘lieve’ te zeggen, omdat ik dat nooit tegen je zei. Je was mijn vader, punt. Was je lief? Ik kan helaas niet zeggen dat dat zo was. Maar je was ook niet per se het tegenovergestelde, wat dan ook mag zijn. Je was er. Je bestond. Je leefde je leven, voornamelijk voor jezelf.
Stempel op mijn jeugd
Je joeg iets na wat er nooit zou komen en daarin trok je ons mee. Je drukte een zware stempel op mijn jeugd, maar je deed het niet expres, dat geloof ik inmiddels wel. En toch kan ik ook niet beweren dat je het beste met ons voor had. Je was feilbaar, ambitieus, egoïstisch. Maar ook een vader die me elke vrijdag uit school haalde en meenam naar de viskraam voor kibbeling. Je was onvoorspelbaar. Verwarrend, misschien is dat nog de beste omschrijving. En die verwarring bepaalde mijn jeugd.
Opluchting
Ik durf je te schrijven omdat je dit niet gaat lezen. Je bent nu ruim een jaar dood. Dat kwam voor iedereen als een opluchting, ook voor jouzelf, dat weet ik zeker. Je mocht maar 66 jaar worden, maar de laatste twee jaar waren een hel. Die rotziekte had je volledig in z’n greep. Je kon niet meer goed ademhalen, sliep amper, kon niet alleen zijn en bepaalde mama’s leven en dat van ons. Je wilde niet naar een plek waar voor je gezorgd werd, want je was geen hond en ging dus ook niet naar ‘het asiel’.
Jouw wil boven alles
Ik vind het jammer, pap. Ik kan niet zeggen dat je het allemaal met liefde en waardigheid droeg. Maar zo was je natuurlijk altijd al. Jouw wil ging boven alles, ook als je anderen daar pijn mee deed.
Ik herinner me dat ik twaalf was en mijn cito-score kreeg. Een prima score, havo/vwo-advies. Maar het was niet goed genoeg voor jou, want het was niet de hoogste score ooit. Ik kon leuk tennissen, maar werd geen nooit clubkampioen, laat staan meer dan dat, en dus faalde ik in jouw ogen. Ik ging naar de universiteit maar werd geen advocaat of dokter, een grote teleurstelling. Ik werd nooit wat jij had gehoopt. Dat draag ik met me mee, pap, dat moet je weten. Ik heb het ook gezegd op je begrafenis. Je was niet makkelijk. In de zaal knikten mensen.
Achter de horizon
Ik denk dat ik inmiddels begrijp dat jijzelf in jouw ogen ook teleurstelde. Dat je je eigen falen op mij projecteerde. Ík moest slagen omdat het jou niet lukte, hoe hard je ook riep dat achter de horizon het goud op je wachtte. Maar weet je pap, niemand komt ooit achter de horizon. Je blijft zoeken tot je neervalt.
Bitter
Het bedrijf dat je zo verwoed opbouwde, werd nooit iets. De aandelen waarmee we rijk zouden worden, werden bijna je faillissement. Gelukkig werkte mama hard, anders hadden we moeten verhuizen. Al die ideeën die je had om rijk te worden, liepen op niets uit. Dat kon je niet verkroppen en dan was je dagenlang, soms wekenlang, onpeilbaar. Het maakte je bitter dat je broer meer geld had, je zus een grotere auto, de buren een groter huis. Want jij had daar óók recht op. En ondertussen zag je niet wat je wel had: de beste vrouw op aarde, een dochter die jouw goedkeuring zo hard nodig had dat het pijn deed.
Kalmer
Nu je dood bent, voel ik me veel kalmer. Ik heb geleerd te geloven dat ik goed genoeg ben en nu jij er niet meer bent, lukt het me om het jou te laten zeggen. Ik vertel mezelf dat je het ergens wel vond maar dat je het niet kon uiten, ik hoop dat dat waar is. Soms praat ik tegen je foto en de laatste tijd merk ik steeds meer dat ik dan compassie voel.
Ik ben jou niet
Je zit in mij, maar ik ben jou niet. Ik maak de keuze vol te gaan voor wat ik heb en wie ik ben, te genieten van wat klein en onbeduidend lijkt. De rijkdom die jij najoeg, die van het geld, zal ik nooit najagen. Mijn rijkdom – mijn zoon, de liefde om me heen, de zon, een mooie vogel, een lief briefje – koester ik voor wat die waard is. Misschien heb ik dat toch van jou geleerd, pap, al was het nooit jouw les.
Ik denk nog vaak aan je,
Je dochter
‘Dat ik hem niet meer spreek, daar kan ik mee leven. Maar jou mis ik’
Hallo Nathalie,
Alleen al over de aanhef van deze brief moest ik een tijdje nadenken. Wat zeggen wij tegen elkaar? Niets meer, al jaren niet. Maar stel dat we wel zouden praten, is het dan ‘beste’ of ‘lieve’? Ik weet het niet.
Ooit waren we zo close
Ik begrijp al heel lang niets meer van jou en van onze band. Ooit waren we zo close. We schelen maar anderhalf jaar, je was mijn beste vriendin toen we opgroeiden. Ik keek tegen je op, je was toch mijn oudere zus. We hadden zoveel lol, deelden ons speelgoed en onze geheimen. Toen ik werd gepest, kwam jij voor me op. Toen jij liefdesverdriet had, stak ik zijn fietsband lek (weet je nog hoeveel lol we daarom hadden?). En toen kwam de scheiding van papa en mama toen jij twintig was en ik achttien. Jij koos papa’s kant, ik die van mama.
Nooit een kant moeten kiezen
Nu ik je al bijna tien jaar niet meer heb gesproken, realiseer ik me steeds beter dat wij nooit een kant hadden moeten kiezen. Ook al waren we – nét aan – volwassen, papa en mama hadden ons daartegen moeten beschermen. Een scheiding scheurt een familie, op welk moment dan ook. Het scheurde ons uit elkaar.
Ik mis je
Ik kende je ineens niet meer en jij mij waarschijnlijk ook niet. Je zei allemaal gemene dingen over mama, die mij pijn deden. Met deze persoon wilde ik niets meer te maken hebben, voelde ik aan alles. Inmiddels ben ik milder en begrijp ik dat jij ook pijn had. Je was altijd papa’s kindje en hij sleepte je mee in zijn emoties, dat had hij nooit mogen doen. Dat ik hem niet meer spreek, daar kan ik mee leven. Maar jou mis ik. Niet de boze Nathalie van toen we voor het laatst contact hadden. Maar wel de Nathalie met wie ik opgroeide, door wie ik me onvoorwaardelijk gesteund voelde en voor wie ik door het vuur zou gaan.
Iets opbouwen
De reden dat ik je deze brief schrijf, is dat ik hoorde dat je een kind hebt gekregen. Dat raakt me zo hard. Ik ben blij voor jou, gun je het beste. Tegelijkertijd besef ik dat er een nieuw deel van je leven aanbreekt waar ik niet bij hoor. Ik zou je wel willen vragen of we kunnen praten, misschien weer iets opbouwen, maar ik doe het niet omdat ik bang ben dat het antwoord nee is of dat er te veel is gebeurd. Liever vertel ik mezelf dat de opening er nog is, voor ooit, op een dag. Wie weet tot snel! Ik hou van je, ondanks alles.
Liefs,
Je zusje Vivian
Om privacyredenen zijn alle namen veranderd, de echte namen zijn bekend bij de redactie.
Meer Vriendin? Volg ons op Facebook en Instagram. Je kunt je ook aanmelden voor onze wekelijkse Vriendin nieuwsbrief.
LEES OOK

Uit andere media