Placeholder

Beperktheid

Stefanie is trots dat ze altijd alles in huis heeft. Al is 1 iemand het daar niet mee eens.

Stefanie is trots dat ze altijd alles in huis heeft. Al is 1 iemand het daar niet mee eens.

Er komt een chocoladereep uit de tas van Deborah. Ik ben ook dol op chocolade, maar wil het niet altijd in huis hebben.
‘Je moet niet steeds van die troep kopen,’ moppert Dirk.
‘Ik heb zin in lekkers,’ zegt Deborah en ze vermeldt er achteraan dat ze van alles krijgt als ze bij Dirks moeder is.
‘Thuis kan ik niet alles opeten. Er is hier een soort beperktheid.’
‘Beperktheid?’
Dat lelijke woord maakt me verdrietig.
Hoe kan ze dat nou zeggen?
‘We hebben hier genoeg,’ zeg ik verdedigend. Het ligt op mijn lippen om te zeggen dat er vroeger, toen de kinderen nog bij hun biologische moeder woonden, vaak geen geld voor eten was. Natuurlijk zeg ik het niet. Dat zou unfair zijn.

Ik ben er trots op dat we in de vijftien jaar waarin wij een gezin vormen altijd alles in huis hebben: elke dag een brood en minstens zeven soorten beleg, zeker zes keer per week een gekookte maaltijd, vers fruit en altijd een koekje bij de thee. Tegenwoordig drinken de kinderen graag een kopje Senseo en verkauwen wel drie kauwgompjes per dag. Ook dat is voorradig.
De kinderen krijgen niet dagelijks chips en cola. Dat houden we zoveel mogelijk voor het weekend. We willen het weekendgevoel niet kwijtraken, maar doen het vooral voor de gezondheid.
Ik probeer de oudste kinderen gezond te laten eten en het goede voorbeeld aan Adriana te geven.
Dat is het tegenovergestelde van beperkt! Een pond kiwi’s is duurder dan een zak chips.

‘Oma eet ook niet de hele dag lekkers. Jij krijgt daar zoveel, omdat ze het gezellig vindt als jij komt.’
Ik schiet toch weer in de verdediging.
De verzorging van de kinderen ligt gevoelig. Ik wil het graag goed doen en kan slecht tegen commentaar.

Christianne komt onverwacht eten. We zitten weer eens gezellig met zeven personen aan tafel. Na het eten gaat onze oudste dochter boodschappen doen met haar vriend.
Ze heeft er geen zin in, maar laat haar vriend niet alleen gaan.
‘Als je mee gaat, kun je zelf lekkers uitzoeken,’ grap ik.
‘Dat doen we al een paar maanden niet meer hoor,’ antwoordt Christianne.
‘Toen we net samenwoonden nam ik tassen vol lekkers mee, maar nu wil ik niet zoveel vettigheid meer inslaan. We kopen gewoon wat we nodig hebben.’
Ik kijk stiekem naar Deborah en hoop dat ze de wijze woorden van haar zus gehoord heeft.