Gieren: 8x hoe een hachelijk zorgmoment ineens grappig werd
Nee, er valt niet altijd evenveel te lachen in de thuiszorg of in het hospice. En tóch kan die ene (foute) grap of situatie soms zoveel lucht geven. “Ineens lag ik naast mijn cliënt op de vloer.”
‘Met pretoogjes keek ze me aan: dat is mijn zoon niet, hoor’
Elvira (37, verpleegkundig specialist): “Nooit meer zal ik zomaar aannemen dat wanneer er twee of meer personen binnenkomen, hun relatie is wat het eerste bij mij opkomt. Toen ik meer onervaren was deed ik dat namelijk wel. Dat ging meestal goed. Een man en vrouw van ongeveer dezelfde leeftijd: meestal echtgenoten. Een oudere man en een klein kind: doorgaans een grootvader met zijn kleinkind. Een vijftiger met een tachtiger: een kind met een ouder. Behalve dan dat dat dus niet altijd zo is, leerde ik ergens in de eerste jaren van mijn carrière. Er kwam een man binnen van rond de vijfenveertig, vijftig jaar. De patiënte was een vrouw van in de zeventig, dat had ik in haar dossier gelezen. Ze zou die dag slecht nieuws krijgen. ‘Ah, fijn dat uw zoon met u mee kon komen’, zei ik zonder erover na te denken – mijn opmerking had niet eens een functie, het was gewoon een babbeltje. Nou, laat ik zeggen: dat was niet haar zoon. Zowel de vrouw als de man keek even verbijsterd naar mij en tegen de tijd dat ik begon te beseffen dat ik iets heel doms had gezegd, zaten ze gelukkig te grijnzen. Met pretoogjes keek de vrouw mij aan: ‘Dat is mijn zoon niet, hoor.’ Ik kon wel door de grond zakken, maar gelukkig konden zij erom lachen. Het slechtnieuwsgesprek dat daarna volgde was er niet minder erg om, maar op een andere manier was de sfeer wel wat lichter.”
‘Tot haar verbijstering trof ze slingers en ballonnen aan’
Hanny (63, vrijwilliger hospice): “In het hospice liggen leven en dood dicht bij elkaar, soms zelfs letterlijk. Zo hadden we een paar jaar geleden twee mevrouwen De Vries op de afdeling, twee deuren bij elkaar verwijderd. Uiteraard waren ze allebei terminaal, anders zouden ze niet bij ons zijn geweest. Maar de ene mevrouw De Vries vierde haar verjaardag nog, terwijl de andere in het proces voor euthanasie zat, dat zou waarschijnlijk een dag later gaan gebeuren. De jarige mevrouw wilde onder het mom van ‘mijn laatste verjaardag’ graag nog een taartje eten met haar familie, ze had altijd erg van feestjes gehouden. Een nichtje van haar dacht: leuk, dan versieren we nog even de kamer.Hoe het is gebeurd, weet ik nog steeds niet, maar de jarige mevrouw was in een gemeenschappelijke ruimte terwijl de andere mevrouw De Vries kennelijk onder de douche was net op het moment dat het nichtje met slingers en ballonnen kwam. Het nichtje, dat achteraf verklaarde het richtingsgevoel van een pak melk te hebben, keek op het naambordje, ging de kamer in en versierde die. Maar dat was dus van de verkeerde mevrouw De Vries… Die na het douchen met haar verzorger op de kamer terugkwam en tot haar verbijstering slingers en ballonnen aantrof, terwijl ze de dag erna zou sterven. Dat kan heel pijnlijk zijn, maar gek genoeg was het dat niet. Ze begon te lachen en zei: ‘Nou, jullie maken wel een feestje van mijn laatste dag.’ Het nichtje ging door de grond van schaamte toen ze haar fout opmerkte, maar de mevrouw zelf vond het eigenlijk wel mooi. ‘Ik heb een mooi leven van 83 jaar gehad, dat mag best gevierd worden’, zei ze. Daar waren we allemaal stil van. De slingers zijn blijven hangen tot ze de volgende middag vredig overleed.”
‘Ze kon toch niet spoorloos verdwenen zijn?’
Alice (46, thuiszorgmedewerker): “Bij mevrouw Boomsma kwam ik al heel wat maanden over de vloer. Ze had een spierziekte en was ook nog eens in rap tempo aan het dementeren – thuis wonen kon eigenlijk niet meer, ze zou binnenkort naar een verpleeghuis gaan. Maar die dinsdagmiddag leek ze in goeden doen, ze zat in de woonkamer lekker haar kopje thee te drinken en ik was even naar de keuken gelopen. Toen ik terugkwam, was haar stoel echter leeg. Ik zocht op het toilet, boven, in de tuin, maar van mevrouw Boomsma ontbrak ieder spoor. Verontrust belde ik eerst mijn leidinggevende en daarna haar kinderen en iedereen kwam om te helpen zoeken. Het duurde ruim een uur voor er een buurman naar buiten kwam en zei: ‘Ik denk dat ik haar heb gevonden. Ze ligt te slapen in mijn bed…’ Toen iedereen van de schrik was bekomen, konden we er eigenlijk wel om lachen. Mevrouw Boomsma had zelf niet door wat voor commotie ze had veroorzaakt. ‘Ik was moe’, verklaarde ze doodleuk. Waarom ze naar buiten is gelopen en niet gewoon haar eigen trap op, zullen we nooit weten.”
‘Ineens stonden er drie mensen in het toilet’
Esther (44): “Dat ik, op z’n zachtst gezegd, niet zo technisch ben, weet iedereen die mij kent. Maar je zou denken dat het licht aandoen op het toilet zelfs mij nog wel zou moeten lukken. Op bezoek bij mijn vader – zwaargewond na een fietsongeluk – in het ziekenhuis ging ik naar het toilet en ik zag een koord, dat leek mij de lichtknop. Ouderwets, maar goed. Ik trok eraan en er ging een rode lamp branden. Waarom rood, dacht ik nog, doe gewoon een normale lamp. Een paar tellen later zag ik de echte lichtknop, drukte erop en jawel, daar was het licht. Nietsvermoedend deed ik mijn broek naar beneden en ging op het toilet zitten, tot ineens tot mijn grote schrik de deur van de andere kant werd opengemaakt, ook al had ik die op slot gedaan. Ik slaakte een kreet toen drie verpleegkundigen in de deuropening verschenen. ‘Mevrouw, gaat het?’ vroegen ze. Van schrik kon ik niet eens iets uitbrengen. Wat bleek: dat koord, was de alarmbel… Toen ik mijn vader vertelde over wat er was gebeurd, kwam hij ondanks de pijn van alle verwondingen niet meer bij van het lachen.”
‘Daar liggen we dan, zei de cliënt lachend’
Janny (59, wijkverpleegkundige): “Ik probeerde hem overeind te helpen, maar verloor op een of andere manier zelf ook mijn evenwicht. Ineens lag ik naast mijn cliënt op de vloer. ‘Daar liggen we dan’, zei hij lachend. ‘Wel gezellig.’ Ik moet zeggen dat het huilen me op dat moment nader stond dan het lachen want mijn rug deed vreselijk pijn. Ik belde mijn collega, die op haar beurt besloot een ambulance te bellen omdat ik zo’n pijn had en mijn benen niet kon bewegen. Zelf kwam ze ook snel. Toen er niet zo lang daarna twee ambulancemedewerkers binnenkwamen, zei mijn cliënt met totaal onderkoelde humor: ‘U moet het zo zien, ze is voor me gevallen.’ Ondanks alles lagen we echt in een deuk. Gelukkig bleek in het ziekenhuis dat ik niets had gebroken en met heel wat pijnstillers was ik dezelfde avond weer thuis.”
‘Wat doe je uit bed?!’
Lydia (30, verloskundeverpleegkundige): “Ik kon mijn ogen niet geloven toen ik de patiënt die ik nog geen halfuur geleden haar eerste kind op de wereld had zien zetten, ineens over de gang zag lopen. Ze mocht helemaal niet lopen, ze moest nog controles krijgen en bovendien: waarom zou je in vredesnaam een ommetje gaan maken als je net bent bevallen? Maar ze was het echt, met haar blonde paardenstaart en de bijzondere amandelvormige ogen, ze had alleen een ander shirt aangetrokken. En zich opgemaakt, zo stelde ik vast – iets wat me ook verbijsterde. Haar buik was nog helemaal bol zoals altijd na een bevalling, ook al was de baby geboren, ze leek nog zeker twintig weken zwanger.Ik liep snel op haar af en zei zeer streng: ‘Wat doe je uit bed? Dit kan echt niet!’ Tot mijn verbazing begon de vrouw te lachen en zei opgewekt: ‘Ik ben gewoon om acht uur vanochtend opgestaan, het is nu elf uur. Ik wist niet dat dat een probleem was.’ Ze grinnikte nog even om mijn verwarring en zei toen: ‘Ik ben zojuist tante geworden van een klein jongetje genaamd Leon. Lisa is mijn tweelingzus.’ Het was echt bizar, ik heb nog nooit een tweeling gezien die zó op elkaar leek. En die buik was ook verklaarbaar: de zus was 22 weken zwanger.”
‘Ik geloof toch niet dat ik voor blond ga’
Petra (51): “Over de combinatie hoesten en een pruik had ik nooit echt nagedacht – waarom zou je ook – tot ik borstkanker kreeg, een pruik had en in de wachtkamer zat bij de oncoloog. De pruik was een tijdelijk exemplaar dat niet lekker zat. Ik had jeuk en de randen voelden hard. Voor wat meer comfort had ik de pruik wat verschoven. Hij zat nu los en een beetje scheef, maar in elk geval niet zo oncomfortabel. Maar ik had óók een vervelende hoest met van die aanvallen waar je bijna in blijft. En laat ik nu net in de wachtkamer zo’n aanval krijgen… Terwijl mijn man wat water voor me haalde, probeerde ik niet te stikken in de hoest. Het laatste waar ik mee bezig was, was die pruik. Tot mijn hoofd ineens koud voelde en ik nog net zag hoe mijn haar door de lucht vloog en landde voor de voeten van de man tegen over me. Ik schaamde me kapot, maar hij raapte de pruik doodleuk op en hield hem even voor zijn hoofd. Hij was zelf hartstikke kaal en zei: ‘Nou nee, ik geloof toch niet dat ik voor blond ga.’ Mijn hoest was spontaan verdwenen en in plaats daarvan zaten we samen even heel hard te lachen.”
‘Hij zei: ik zit al vijftien jaar heerlijk’
Wendy (34, verpleegkundig specialist): “Na een lange, hectische dienst, zou ik nog één patiënt zien en dan kon ik naar huis. Ik haalde hem en zijn vrouw op uit de wachtkamer en nam ze mee naar een spreekkamer met daarin een bureau en drie stoelen. Ik sloot de deur achter hen, liep naar mijn plek en wees naar de twee stoelen bij het bureau. Op de automatische piloot zei ik: ‘Komt u verder, ga lekker zitten.’ Tot ik achter me hoorde: ‘Dank u, ik zit al vijftien jaar heerlijk.’ Toen pas realiseerde ik me dat dit echt heel dom is om te zeggen tegen een patiënt in een rolstoel… Hij vond het gelukkig erg geestig, zijn vrouw ook en ik had weer even mijn wake up call: nooit op de automatische piloot tegen patiënten praten.”
Om privacyredenen zijn de namen in dit artikel veranderd.
Foto: Getty Images
Meer Vriendin? Volg ons op Facebook en Instagram. Je kunt je ook aanmelden voor onze wekelijkse Vriendin nieuwsbrief.
LEES OOK

Uit andere media