Maartje kan niet stoppen met liegen: ‘Soms weet ik zelf niet meer wat waar is’
Maartje (34) liegt. Niet één keer, niet af en toe, maar structureel. Tegen vrienden, collega’s, haar partner en soms zelfs tegen zichzelf. “Ik wil het niet, maar liegen zit zo diep verweven in wie ik ben geworden.”
Maartje: “Vorige week zat ik op een terras met een vriendin. Zon op mijn gezicht en een glas wijn voor m’n neus, zo’n middag waarop alles licht voelt en je nergens over na hoeft te denken. We hadden het over vakanties, over werk en over andere kleine dingen. Tot zij ineens zei: ‘Hé, jij bent toch twee jaar terug in New York geweest? Ik wil binnenkort ook gaan en zoek nog een fijn hotel. Waar zat jij ook alweer?’ Ik voelde het meteen, alsof iemand een knop indrukte. Mijn schouders schoten omhoog, mijn ademhaling werd sneller en mijn hoofd sloeg op hol. New York? Ik ben daar helemaal nooit geweest. Ik had dat blijkbaar ooit tegen haar gezegd, waarschijnlijk omdat het op dat moment interessant klonk.
Film
Ik nam een slok wijn om tijd te winnen terwijl zij me verwachtingsvol aankeek en er in mijn hoofd een razendsnelle inventarisatie afging. Wat heb ik haar toen precies verteld? Heb ik details genoemd? Toen schoot me ineens een hotel te binnen uit een film die ik een paar weken eerder had gezien. Zonder te aarzelen noemde ik de naam en hoorde ik mezelf zeggen dat het perfect lag, vlak bij Central Park. Ik probeerde zo nonchalant mogelijk te blijven. Ze pakte haar telefoon, zocht het op en knikte goedkeurend. ‘Ziet er mooi uit!’ zei ze. En dat was het. Het gesprek ging verder alsof er niets was gebeurd. Ik trilde nog minutenlang na. Ik voelde opluchting, ja, maar ook schaamte en uitputting. Want dit is hoe mijn leven eruitziet. Ik red me er net uit, altijd net aan. Altijd balanceren op het randje van door de mand vallen.”
Altijd paraat
“Ik leef met een constante alertheid, alsof ik altijd paraat moet staan. Alsof elk gesprek onverwachts kan veranderen in een toets over mijn eigen leven. Wat heb ik tegen wie gezegd? Wat weet deze persoon van mij? En klopt het verhaal nog, of moet ik bijsturen? Het is niet zo dat ik ’s ochtends wakker word en denk: vandaag ga ik liegen. Zo werkt het niet. Het gebeurt automatisch. Mijn mond is sneller dan mijn bewustzijn en pas daarna dringt het tot me door wat ik heb gezegd. Voor mensen om me heen lijk ik waarschijnlijk sociaal, vlot en open. Iemand die makkelijk praat. Maar vanbinnen ben ik ondertussen alles aan het afwegen. Wat is veilig om te zeggen? Wat kan ik beter weglaten? Waarmee loop ik zo min mogelijk risico? Die constante alertheid is zo normaal voor me geworden dat ik soms pas voel hoe gespannen ik eigenlijk ben wanneer ik eindelijk alleen ben.
Thuis
Als ik terugga naar waar dit begon, kom ik altijd uit bij thuis. Bij mijn jeugd. Niet omdat mijn ouders slechte mensen waren, maar omdat het thuis voor mij geen veilige plek was om mezelf te zijn. Mijn vader was er wel, fysiek. Hij zat aan tafel, hij ging naar zijn werk en hij deed wat er van hem werd verwacht. Emotioneel was hij altijd afwezig. Hij stelde geen vragen en hij verdiepte zich niet in mij. Het was alsof we langs elkaar heen leefden, alsof ik er wel was maar niet echt door hem werd gezien. Mijn moeder was het tegenovergestelde. Zij was juist overal, bij alles wat ik deed. Ze was kritisch, streng en snel teleurgesteld. Wat ik ook deed, het kon altijd beter, slimmer en netter. Fouten maken was volgens haar geen leerproces, het was een tekortkoming. En eerlijk zijn betekende vaak dat ik mezelf in de problemen bracht.
Bij ons thuis was de waarheid geen neutrale plek. Nee, het was iets wat altijd consequenties had. Als ik eerlijk vertelde dat ik iets fout had gedaan, wist ik dat het groot zou worden. Dan kwam er boosheid, straf of een stilte die misschien nog wel erger was.
Iets verzinnen
Ik herinner me hoe ik als kind eens een vaas had omgestoten. Het was een ongeluk, echt. Maar ik stond te trillen boven de scherven, niet vanwege de vaas, maar vanwege wat er zou volgen. Ik besloot daarom snel iets te verzinnen en zei dat de kat het had gedaan. Mijn moeder geloofde me en werd niet boos op mij, maar op de kat. Die werd direct buiten in de tuin gezet. Vanaf dat moment werd eerlijkheid voor mij iets gevaarlijks, iets onvoorspelbaars. En liegen voelde, hoe tegenstrijdig dat ook klinkt, ook als een soort bescherming. De eerste keren dat ik loog, voelde het niet slecht. Ik voelde me juist ontzettend slim. Het voelde alsof ik controle had over een situatie die anders kon ontsporen. Als ik een verhaal iets aandikte of juist iets wegliet, dan bleef het rustiger en was er een stuk minder spanning en voelde ik minder afwijzing. Mijn brein sloeg dat op als: ‘Dit werkt.’”
Beter en leuker
“Ik loog om niet afgewezen te worden, maar ik loog ook om wat beter en leuker te lijken dan ik was. Ik loog om liefde te behouden en om de sfeer veilig te houden. Als kind had ik geleerd dat aanpassen noodzakelijk was. Wie te veel ruimte innam, liep risico. Dus ik werd braaf. Op school was ik het meisje met goede cijfers en weinig problemen. Leraren vonden me prettig, maar die braafheid kwam niet voort uit rust of zelfvertrouwen. Die kwam voort uit angst, de angst om iets fout te doen en om gezien te worden op een manier die voor mij onveilig voelde. Ik voelde feilloos aan wat er van me werd verwacht en maakte mezelf passend. Dat was veilig, maar ergens ook heel eenzaam. Want ergens onderweg verloor ik het contact met wie ik zelf eigenlijk was. En dat patroon nam ik mee mijn volwassen leven in.
Je zou denken dat je daar overheen groeit, dat je op een gegeven moment denkt: nu bepaal ik zelf wel wie ik ben en wat ik doe, maar zo werkte het niet bij mij. Mijn oude strategieën verdwenen niet zomaar toen ik ouder werd.”
Lichte spanning
“Die strategie nam ik ook mee mijn werk in. Misschien zelfs nog wel sterker dan in mijn privéleven, omdat werk grotendeels draait om verwachtingen, prestaties en indrukken. Al bij mijn eerste sollicitatiegesprek ging het mis. Ik weet nog dat ik tegenover twee mensen zat die mijn cv voor zich hadden liggen, knikten terwijl ik praatte en oprecht geïnteresseerd leken. Ze vroegen naar cursussen die ik had gevolgd, extra trainingen en verdieping. En in plaats van te zeggen dat ik sommige dingen nog wilde leren, hoorde ik mezelf zeggen dat ik ze al had gedaan. Dat ik veel ervaring had met systemen waar ik alleen vaag van had gehoord. Op dat moment voelde het niet als een grote leugen. Het voelde juist als meebewegen, alsof ik mezelf net iets omhoog trok om niet buiten de boot te vallen. Ik dacht: dat kan ik als ze me aannemen wel bijleren in mijn eigen tijd, dat haal ik wel in. Ik werd aangenomen en iedereen van mijn team was blij met mijn komst. Ik had immers veel ervaring met moeilijke systemen. Iets wat ik eigenlijk níét had. Dit zorgde ervoor dat ik vanaf dag één met lichte spanning in mijn lijf naar werk ging.
Goed opletten
Op kantoor lette ik extra goed op. Ik luisterde, keek af en stelde vragen. Ik werkte hard, soms te hard, om te compenseren. En opnieuw bevestigde mijn brein wat het al kende: liegen werkt, het brengt je verder. Maar die winst had een prijs, want ik stond altijd aan. Ik was constant bang dat iemand door zou vragen en was altijd bang dat ik door de mand zou vallen. Bij elke nieuwe baan herhaalde dat patroon, steeds subtieler en steeds geraffineerder, maar nooit rustiger. En misschien is dat wel het vermoeiendste: dat liegen niet stopt bij één moment, maar doorwerkt. Eén leugen vraagt om een volgende. Eén aangepast verhaal moet worden onthouden, bewaakt en bijgehouden. Het is een soort administratiesysteem in je hoofd dat nooit sluit.”
Niet eerlijk in relatie
“In mijn relatie dacht ik lange tijd dat het anders zou zijn. Ik heb nu een jaar een relatie en mijn vriend kent me beter dan wie dan ook. Ik wil zo graag mezelf bij hem zijn. Ik doe ook echt mijn best, maar het liegen zit zo diep verweven in wie ik ben geworden, dat ik ook vaak tegen hem lieg. Niet over grote dingen trouwens. Niet over trouw zijn of andere gekke dingen. Het zit meer in hoe ik antwoord als hij vraagt hoe het met me gaat of in hoe ik reageer als hij vraagt wat ik wil. Dan zeg ik bijvoorbeeld dat het me niet uitmaakt, terwijl ik wel degelijk een voorkeur heb. Ook zeg ik bijvoorbeeld niet wanneer iets me raakt, terwijl ik het al dagen met me meedraag. Alles om hem maar niet teleur te stellen, om geen spanning te veroorzaken en om de sfeer goed te houden.
Eerlijkheid
Een paar maanden geleden vroeg hij of ik het fijn vond dat we zoveel tijd samen doorbrachten. Ik zei meteen ja, terwijl ik diep in mijn hart eigenlijk behoefte had aan meer ruimte en vaker alleen zijn. Het kwam er later uit, in een ruzie die eigenlijk helemaal nergens over ging. Hij begreep er niets van. Ik barstte in tranen uit en hoorde mezelf zeggen dat ik me soms opgesloten voelde. Dat was het moment waarop hij me aankeek en zei: ‘Maar waarom zeg je dat dan niet gewoon eerder?’ Die vraag bleef hangen. ‘Omdat ik het niet durf’, had ik eigenlijk willen zeggen. Omdat eerlijk zijn voor mij nooit vanzelfsprekend is geweest, omdat ik heb geleerd dat eerlijkheid iets kapot kan maken. Dat moment voelde voor mij als een kantelpunt. Niet omdat hij boos werd, maar juist omdat hij bleef. Omdat hij het wilde begrijpen, omdat hij míj wilde begrijpen. En omdat ik ineens zag hoe mijn leugens, hoe klein ze ook waren, afstand creëerden tussen ons.
Risico
Ik wil dit niet meer. Ik wil geen leven waarin ik voortdurend aan moet staan, waarin ik gesprekken achteraf herkauw en controleer. Ik zie zelf ook wel in dat het niet normaal is, dat het me beperkt en dat het me moe maakt. Daarom sta ik nu op het punt om professionele hulp te zoeken. Ik wil het anders, ik wil een fijner leven, eerlijker en rustiger. Het voelt spannend, want stoppen met liegen betekent controle loslaten. Maar misschien betekent het ook eindelijk thuiskomen bij mezelf. En dat is een risico dat ik nu, voor het eerst, wil nemen.”
Om privacyredenen zijn alle namen veranderd, De echte namen zijn bekend bij de redactie.
Foto: Getty Images
LEES OOK

Uit andere media